Plaatselijk Belang "De Vooruitgang" Nieuw Balinge
.
Secr. A. Wielink, Voornweg 10, 7938 RC Nieuw Balinge
Rabobank Westerbork: 3694.00.453
K.v.K. Meppel nr: V046297
 
   
 
 

DE HERINNERINGEN UIT DE EERSTE DERTIG JAAR VAN HET LEVEN VAN  GEERT HAM NAVERTELD.

 

Geert schreef aan Catrinus en Dickie Annen , op hun verzoek,  zijn herinneringen op. Omdat Dickie van zijn vaders zuster afstamt,  komt opoe Ham helaas bijna niet  in het verhaal voor. Geert vertelde vanaf zijn vijfde jaar dat wat hij onthouden heeft. Ondertussen is meer bekend  via het internet en uit  geschriften van mensen in zijn buurt. Deze gegevens zal ik proberen op de juiste plaats in te voegen..

Geert werd op 23 juli 1907 geboren in de gemeente Westerbork, waarschijnlijk  op de Haar. In ieder geval woonde de familie Ham daar toen Geert 5 jaar oud was. Op dat moment herinnert hij zich niets van zijn vader en hij vermoedt dat die toen in Duitsland werkte, wat heel goed mogelijk is, omdat veel veenarbeiders dit deden. Later hoorde hij van zijn vader, dat hij in Duitsland maar ook in Engeland en Frankrijk had gewerkt. Eerlijk gezegd, kon ik  niet geloven dat de Drenthen zo ver van huis werkten toen. Uit een geschrift van een tijdgenoot van Geert, Hendriekus Vlietstra uit  Noordsche Schut,  bleek dat diens vader ook zo gewerkt had. “De Engelsen hadden  de grote vervener van der Griend  gevraagd om turfgravers naar hen toe te sturen, daar zij de kunst (van de vervening) daarvan nog niet  machtig waren”. Het zou gaan om de jaren ca 1894-1898. Volgens het verhaal van Vlietstra zijn de Engelsen en de Drenten in Engeland ook nog met elkaar op de vuist gegaan. De Drenthen wonnen en de Engelsen moesten hun messteken laten behandelen in het ziekenhuis, aldus Vlietstra.

De ouders van Geert: Jan Ham en Jantien Muskee

Op vijfjarige leeftijd ging Geert naar een openbare school op Tiendeveen, die op ongeveer vijf kilometer afstand lag van zijn woonplaats . Dat deed hij samen met zijn zus Johanna (tante Anne),  zijn twee oudste broers hadden de lagere school al doorlopen. Twee grote buurjongens, Chris Hekker en Jan Bekelaar, beschermden de kleine Hammetjes, waarschijnlijk ook omdat vader Ham door zijn werk zo langdurig afwezig was. Die steun maakte heel veel indruk op de kleine Geert, want die namen is hij nooit vergeten. Zoals overal was er wel eens ruzie met schoolgenoten. Geert werd belaagd door sterkere jongens en die pakten een klomp van hem af, die ze naar de hond van de veldwachter gooiden. Een van de grote jongens nam Geert toen in bescherming.

Het eerste schooljaar werd niet afgemaakt op de Haar. De familie verhuisde naar Nieuw Balinge en woonde daar aan de Middenraai. De Middenraai is een vroeger gegraven vaart, van Nieuw Balinge naar Noordsche Schut, voor de afvoer van turven en later aardappelen, aldus Geert. In Nieuw Balinge was in 1911 de eerste school gebouwd (Samenvatting uit het ontstaan Nieuweroord en Nieuw Balinge) en waarschijnlijk maakte Geert daar de eerste klas af.  Een groep kinderen bezocht een Christelijke lagere school in een ander dorp op ca 6 kilometer afstand en de ouders daarvan wilden een dergelijke school in hun buurt. Ze kwamen met een lijst rond en ook vader Ham tekende, want hij vond de onderwijzer van de openbare school niet goed en ook te oud. De School met de Bijbel (volgens Geert de Christelijke Nationaal School, met als hoofdonderwijzer de Fries Haakma) werd gesticht en Geert ging daar naar de vierde klas. Het was een grote verandering voor hem; er werd uit de Bijbel gelezen, gebeden en gedankt en iedere week moest er een psalmversje geleerd worden.

Aan de Middenraai werd het Geert pas duidelijk, dat zijn vader voorheen vaak in Duitsland werkte gedurende de zomermaanden. Later, in Nieuw Balinge, werkte hij vanaf eind maart tot juni in het veen van zuidoost Drente, in Borgeroosterveen en Nieuw- Amsterdam en omgeving. In de zomermaanden vertrok vader voor de oogst naar Noord-Holland.

In de wintermaanden was Geert’s vader slachter en hij was dus nooit zonder werk zoals zoveel Drenten wel meemaakten. Per dag slachtte hij wel zo’n vijf of zes varkens, waarvan hij de andere dag producten ging inzouten in een ton. Voor elk varken ontving hij twee gulden vijftig en dat was veel voor die tijd. Geert hielp zijn vader bij het slachten en ik hoorde van familie dat ook andere zoons hun vader bijstonden. Geert vertelde dat zijn vader bij dat werk zeer schoon en zorgvuldig te werk ging.

Op school was Geert ondertussen een voortreffelijke leerling, die tot het eind toe de hoogste cijfers behaalde. Hij was gesteld op zijn onderwijzer. Helaas kreeg meester Haakma na een paar jaar een conflict met het bestuur en de schoolinspecteur moest eraan te pas komen. Vader Ham nam vrijaf om de meester bij te staan. De vier beste leerlingen, waaronder Geert,  maakten opgaven op het bord. De inspecteur was  zeer tevreden en constateerde dat in heel Drenthe en Overijssel geen school zover vooruit was als deze.

Aan de Middenraai woonden de Hammen naast Cornelis Sok, eigenaar van een boerderij met koeien, weiland en bouwland. Geert kwam vaak bij het gezin Sok over de vloer en dan at hij daar  mee (pannenkoeken met melk).

De eerste winter in Nieuw Balinge was erg streng en toen moet het geweest zijn, dat oom Andries (Veldman) met zijn schip recht voor hun huis is vast gevroren. Het zou de winter van 1912/1913 of de winter van 1913/1914 geweest zijn. De wijken (op het veen) waren dicht gevroren. Vader  Ham kon zeer goed schaatsen. Per slee, vader Ham er voor, moeder met kinderen toegedekt met dekens in de slee, ging het op naar tante Hendrikje(zuster van vader Ham) en oom Gelmer op Achterom. Op een ophaalbrug las Geert nog zoiets als Kremborg.

Naast de familie Sok woonden de Hammen ca anderhalf jaar, waarna ze vijfhonderd meter verderop gingen wonen in één van de nieuw gebouwde huizen. Geert vermoedde, dat deze huizen gebouwd waren door een zekere Robertus, die tevens eigenaar was van een in de buurt gelegen boerderij, met het doel om werkmensen aan te trekken voor het vervenen van een veencomplex. Vader Ham heeft daar turf gegraven en moeder Ham zette de turf in hokken voor brandbaar drogen. Na het drogen werden de turven in grote hopen bijeengebracht en daarna afgedekt met een dak van hele turven. Robertus woonde in Winschoten en op zijn boerderij had hij een zetboer aangesteld voor het beheer en voor het regelen van de veenderij. Bij het turfgraven moest de bovenste laag, bestaande uit heideplag met daaronder de bolsterlaag, terug geplaatst worden. De afgegraven terreinen werden daarna egaal gemaakt met de grond uit de eertijds gegraven Middenraai en uit de gegraven sloten. Vader Ham was hierbij ook betrokken in ploegverband, in akkoordwerk.

De boerderij van Robertus leverde bij het oogsten werk voor vele handen bij het rooien van aardappelen, voorafgegaan door het maaien van granen, zoals rogge, gerst, haver en boekweit. Deze granen werden opgeslagen in schuren en mijten.  Het rooien van aardappelen werd gedaan gedurende ca twee maanden. Daarvoor werden door een ploegbaas ploegen gevormd van zes tot tien arbeiders. De ploegbaas maakte een akkoord met de boer per rij van 100 meter. De prijs werd bepaald per gewas en eventueel naar voorkomend onkruid. Het grootste deel van de begroting ging naar de aardappelrapers. Het dorsen in de herfst en de winter gebeurde met dorsmachines, die van boer naar boer gingen, dus dit werk leverde weinig arbeidsplaatsen op.

Geert vertelt:”Nadat de vervening in de omgeving bijna teneinde was gekomen(ik moet ca elf of twaalf jaar zijn geweest) is naar ik mij herinner de Drentsche Ontginningsmaatschappij opgericht”. (Maar zie Ontstaan Nieuweroord en Nieuw Balinge: 1902, Het ontginnen van woeste gronden , zowel van afgeveende dalgronden als andere gronden in de veenkolonie Nieuweroord geeft in de herfst en winter vele handen werk”, aldus Y. Rinsma, secretaris van Westerbork, 19-11-1954) hierdoor kwam de ontginning van de dalgronden in een stroomversnelling, boerderijen werden gebouwd en voor timmerlieden met hun helper werd werk geschapen. Het ontginningswerk werd met ploeggroepen, in akkoordwerk uitgevoerd. Menige werkputten heeft Geert toen voor vader Ham uitgerekend, met behulp van de gegevens van de metingen verstrekt door de ploegbaas. Dit als controle voor de ploeg.

De familie was intussen verhuisd naar een boerderijtje op korter afstand van het werk. Niet alleen voor het werk, maar ook voor de verbouw van eigen aardappelen, rogge, haver en zelfs boekweit.  De boekweit werd tot meel gemalen voor pannenkoeken, de rogge als meel voor een slachtvarken. Geert: “In gedachten zie ik nog de rijen worsten aan het zolderplafond hangen”. Ook kippen werden gehouden van afval en granen. “Hiervan herinner ik mij, dat van een broedsel kuikens een hennetje een gebroken poot had opgelopen. Door dit euvel was het mak geworden, zodat het uit onze handen ging eten. Bij volwassenheid legde dit hennetje toch 5 eieren per week”. Geert schat dat de familie tot ca zijn dertiende jaar hier gewoond heeft; het pechjaar voor zijn studie. Omstreeks 1920 dus was het dat vader Ham een stukje grond wist te bemachtigen van ca 1 ha groot, woest, met een gedeelte veen voor een paar jaar eigen brandstof. Op de grond liet vader Ham een boerderijtje zetten door Hendrik Vos. Omdat nog een weg aangelegd moest worden bleef van het perceeltje 90 are over. Op de grond werden voor het merendeel aardappelen verbouwd (rode star). De grond koste 80 gulden. Voor het bouwen van het huis leende vader Ham 800 gulden van een zekere (Jac. volgens Vlietland) Troost, een bakker, die op Noordsche Schut woonde en die tussen de schutsluis en de Middenraai ventte.

Nadat Geert alle klassen van de lagere school doorlopen had, kwam meester Haakma bij vader Ham met het voorstel om zijn zeer goede leerling te mogen laten doorleren voor onderwijzer. Haakma kreeg toestemming om Geert op te leiden tot de toelating van de tweede klas en hij zou daarvoor een beurs aanvragen. De boeken hiervoor werden gratis door de Christelijke pedagogische school in Nijmegen opgestuurd. Hij slaagde voor het toelatingsexamen tot de tweede klas. De uitzet van kleding en schoeisel was aangeschaft en Geert zou dus spoedig vertrekken om de verdere opleiding intern voort  te zetten aan de pedagogische school in Nijmegen. Helaas werden zijn moeder en zijn broer Jannes (enkele dagen later) ziek  en werden beide in het ziekenhuis opgenomen. Zijn broer had een dubbele longontsteking. Wat zijn moeder mankeerde weet ik niet, maar ik heb gehoord, dat zij wel een jaar afwezig is geweest. De studie werd stopgezet daardoor vanwege de vele onkosten. Geert noemde dit gebeuren ergens ”een rampjaar”.

Niets doen kon natuurlijk niet, dus zijn vader zocht werk voor hem. Zo werd Geert dan hulpje bij een smid annex fietshersteller. Hij moest de nagels maken voor de hoefijzers en deze aanreiken aan de smid bij het beslaan van het paard. Hij heeft bij de smid maar een maand of drie en misschien een half jaar gewerkt. In de smidse werden zijn luchtwegen geprikkeld door de dampen, waardoor hij ging hoesten. Dus werd er werk gezocht in de buitenlucht en kwam hij als hulpje terecht bij een bouwboer. Bij de boer ging het een jaar goed. Geert mocht met paarden werken, wieden op de akker, enz. Vader Ham informeerde regelmatig hoe het ging met het werk en hij was aanvankelijk zeer tevreden. Toen de boer (een Groninger las ik ergens) Geert zware balen kunstmest  liet kruien,  greep vader in en volgde ontslag. Het Staatsbosbedrijf vroeg plantjongens en meisjes met ingang van het plantseizoen (half november) en Geert werd aangenomen. Het seizoen liep af in midden april en dan werden de jongens en meisjes ontslagen. De boswachter was tevreden over hem en hij mocht de rest van het jaar ook blijven voor het onderhoud van de aangelegde kwekerij. Als plantjongen verdiende hij een gulden vijf en twintig en nu kreeg hij opslag tot een gulden vijftig per dag.

Vader Ham ging die zomer, met zijn twee oudste zoons in Noord-Holland werken tijdens het oogstseizoen en ze verdienden daar zo’n 30 gulden per week, wat voor die tijd (1922) heel veel was. Hoewel Geert ca 16 jaar oud was, vonden  zijn broers dat hij ook maar daar moest komen werken, dus schreef broer Jannes hem dat. Hij had het naar zijn zin bij het Staatsbos, maar nam ontslag omdat veel meer verdienen zijn voorkeur had (bijna net zoveel als zijn broers). Aangekomen in Schermerhorn, viel het onderkomen wat tegen;  een schuur met strozakken om op te slapen. Het eten was goed! De groenten en de aardappelen zo van het land; hij leerde daar uien eten en die kreeg hij zelfs zacht geroosterd op het brood (is heel zijn verdere leven dol op uien gebleven). Vader zorgde overal goed voor en Geert was blij met de hoge beloning.”Het was hard werken, maar de verdienste, vijfentwintig tot dertig gulden per week, was er ook naar”.  Eind  october was het oogstseizoen afgelopen en vertrokken de vier Hammen met de Zuiderzeeboot naar Zwolle om vandaar met de trein naar Hoogeveen te gaan. In november werd begonnen met het huisslachten waarbij Geert zijn vader behulpzaam was. Het Drentse leven was weer begonnen; ’s morgens pannenkoeken met één plakje spek in het midden van een pannenkoek en de andere zonder. Verder op de dag waren er boterhammen met margarine zonder beleg en ’s avonds het middagmaal. Geert was een slechte eter en herinnert zich niet veel van het warme maal.

Geert meldde zich weer bij de boswachter, maar die had niet zo’n zin hem aan te nemen en zei door het ontslag geen werk meer voor hem te hebben (was ook niet zo netjes gegaan, he Geert). Maar toen Geert boswachter Meelker na een week of vier eens tegen kwam , werd  hij gelukkig weer voor het werk gevraagd. Aan het eind van het plantseizoen vroeg Meelker hem om te blijven en werd zijn loon verhoogd tot twee gulden per dag. Maar na drie maanden nam Geert toch weer ontslag om te gaan oogsten in Noord-Holland. De geschiedenis herhaalde zich, want na de oogst was er geen werk en vroeg Geert weer of hij terug mocht komen bij het staatsbosbedrijf. De boswachter zei nee en Geert kreeg last van schuldgevoel en durfde niet op nieuw te vragen. Maar nog voor het plantseizoen kwamen Geert en zijn vader de boswachter tegen, die van zijn fiets stapte en een praatje aanknoopte. Tot Geerts vreugde werd hij gevraagd om weer te komen werken en hij liet blijken dat heel graag te willen. Weer herhaalde zich de geschiedenis. Na het plantseizoen werd hij gevraagd om te blijven, maar nu met een loonsverhoging van  vijf en twintig procent, waardoor hij evenveel verdiende als een volwassen arbeider. En al zou hij gedurende deze zomer toch minder verdienen, zei hij de boswachter geen ontslag meer te zullen vragen. Hij leerde een greppel graven met een bepaald talud, percelen bosgrond opmeten en in kaart brengen, inscharen van vee voor een aangelegde weide, enz. Geert had later veel spijt van zijn ontslagnames, omdat de boswachter als een vader voor hem was geweest.

vlnr: Boswachter Meelker met zijn hond - Geert Ham - Ubbe Severiens op de trekker

Vader Ham ging niet naar de kerk; volgens zeggen had hij als ouderling een conflict gehad  en ik denk dat het mogelijk “de zaak van Beilen” betreft. Dertig lidmaten van de kerk hadden  bij Het Classicaal Bestuur van Assen geklaagd dat vier kerkeraadsleden op Nieuwjaarsdag 1894 waren bevestigd en vier andere op Nieuwjaarsdag 1895, in plaats van op een zondag en dat de gehele kerkeraad dus onwettig was. Moeder Ham ging soms nog wel. Geert was zeer gesteld op meester Haakma en die sprak met hem over het geloof.  Hij begon naar de kerk te gaan. Zijn vrienden gingen niet naar de kerk en begonnen op Haakma af te geven. Geert nam daardoor meer afstand van zijn vrienden. Hij begon de Bijbel te lezen en kwam geleidelijk tot diep geloof. Op negentienjarige leeftijd kreeg Geert kennis aan een meisje met een christelijke achtergrond (Margje de Goede). Na ongeveer een jaar werd de vriendschap verbroken, omdat haar moeder het niet eens was met deze verkering. Een gesprek met de moeder mocht niet baten. De geliefden werden uit elkaar gedreven. De moeder zocht een boer voor Margje en na een half jaar trouwde ze daarmee. Geert kwam met moeite over zijn verlies heen. Niet lang hierna kreeg hij op zijn werk bezoek van de boswachter en de houtvester. Een bijzonder bezoek, want de boswachter vroeg of Geert leerling boswachter wilde worden en dat wilde hij natuurlijk graag. De houtvester maakte hem daarop direct leerling boswachter  met een beloning van achttien gulden per week. Hij zag deze gebeurtenis als een Godsgeschenk;  als een pleister op de wonde van zijn liefdesverdriet. Bij de Nederlandsche Heidemij moest hij nu een tweejarige cursus gaan volgen. Slechts twee leerlingen van het Staatsbosbeheer konden aan de cursus deelnemen. Het loon werd doorbetaald. Na ongeveer twee en een half jaar leerling boswachter te zijn geweest,  ca 1929, was Geert nog niet aan de beurt en vroeg de boswachter hem alvast toelatingsexamen te doen. De helft van de kosten werden door een beurs gedekt en de boswachter zou hem de andere helft kosteloos lenen. Begin april 1929 deed Geert toelatingsexamen en na enkele dagen kreeg hij bericht dat hij aangenomen was. Angst voor het lenen van geld maakte dat hij terug schreef niet aan de cursus te kunnen deelnemen. De boswachter zocht hem op zijn werk op en vroeg naar de stand van zaken. Geert zei de cursus afgeschreven te hebben omdat hij de lening niet kon aanvaarden. Je moet direct schrijven dat je de cursus wel gaat volgen, zei die hem, want mocht je door omstandigheden niet terug kunnen betalen, dan schenk ik je geld.

De studie was zowel theoretisch als praktisch. De theorie werd in Arnhem gegeven. Op heel veel plaatsen in het land werden de stages gedaan en de eerste stage was in Goor in Overijssel, in mei 1929. Daarbij hoorden ook de nodige kosthuizen. In Goor hielp een oud leerling daar een pension vinden. Samen met een andere leerling werd met de arbeiders uit de omgeving een perceel bosgrond geëgaliseerd. Geert had geen moeite met het opgedragen werk, want hij kende dat van het staatsbosbeheer. Als leerlingen werden zij beloond met 30 cent per uur, wat Geert heel behoorlijk noemde. Hij dacht zich te herinneren dat het perceel bij het landgoed Twickel hoorde. Jonker was de opzichter aldaar. Zijn tweede stage was in Tilburg, ook weer met twee leerlingen en zij verdienden daar achttien gulden per week. Bij een stage in Drachten , ontmoette Geert in een kerkdienst in Harkema-Opeinde zijn hoofdonderwijzer, die zoveel voor hem betekend had. Na zijn examen werd Geert voor een hele dag bij de familie Haakma uitgenodigd. De boswachter wilde de lening niet terug betaald hebben. Na afloop van de gehele cursus volgde de echte praktijk. Vele malen is Geert overgeplaatst, wel zo’n veertig keer. Hij telde zijn zegeningen, maar raakte toch wat van God verwijderd zo vanaf zijn zevenentwintigste jaar. Bijvoorbeeld ging hij i.p.v. zondags naar de kerk fijn motor rijden.

Vader Ham ging op zijn vijftigste nog fietsen; daarvoor legde hij alles te voet af. Bij het huisslachten werden vele kilometers afgelegd, met het meetorsen van de benodigde materialen. De afstand werd tweemaal afgelegd, want de ene dag werd het varken geslacht en de andere dag klaargemaakt voor het inzouten in de kuipen. Vader Ham heeft ook nog gewerkt in de transportslagerij in Hoogeveen, maar het werk was te zwaar en de afstand te groot.

Jammer, dat we zo weinig over opoe Ham hebben vernomen, maar misschien hoor ik van familie nog wat bijzonderheden. Bij een bezoek aan het boerderijtje in Drenthe, zat opoe kaarsrecht voor haar kabinet, opa zat in zijn “rookstoel voor de Engelse haard”. Opoe haalde uit haar kabinet voor ons kinderen een glanzend opgewreven rode appel en dat vond ik heel bijzonder toen. Buiten stond de geit; opoe zwoer bij geitenmelk, want die was heilzaam. Geen electriciteit, geen water, maar een gaslamp en een regenput. Het land liep tot aan een bosrand. Geslapen werd er nog in de bedstee. Geert sliep als kind, met de andere kinderen uit het gezin,  op de zolder. In de winter waaide de sneeuw soms door de kieren naar binnen.

(wordt vervolgd.??)

Middelburg, 10-6-2010, Tineke Ham.